Om maar met de deur in huis te vallen: in de tweede helft van de jaren vijftig ging Tzigane eensklaps weer dixieland spelen. Dat kwam zo:
De rode jassen waren tot op de draad versleten en om onze tailleur niet met een bagatel af te schepen, lieten we maar meteen acht nieuwe aanmeten. Een was er voor mij, want Herman Lamers moest een tijdje studeren voor zijn kandidaats en ik had ook thuis al veel ‘jazz’ gehoord.
Terzijde, mijn vader, ex-bandcat, zat altijd op de tweede en vierde tel mee te trommelen met de Ramblers - nooit gedacht dat ik daarvan later profijt zou hebben in het tegenprikken bij Tata Mirando.
Enfin, ik kende enkele akkoorden op de piano en mocht Herman vervangen. We hadden al Gert-Jan Sollewijn Gelpke op saxofoon die nu trombone werd, Roman Kupperman klarinet, Pim Bergman cornet (liever piano maar ja), Jan Pameijer, later Dolf Hoeksema op drums, Lo van Ruyven op banjo en Jan Buskop, soms Carel Hingst, uiteindelijk Rob Bergman aan de bas. Nadat Bert Geyskes zich een tuba had aangeschaft, waren er genoeg artiesten voor de jassen. In dit ornaat werd uiteraard met veel succes gemusiceerd. Uitzonderingen daargelaten zoals wanneer niet alle leden aanwezig waren of het auditorium een verwerpelijke neiging tot walsen kenbaar maakte.
Een optreden op kasteel Oud Wassenaar is me bijgebleven, omdat we nogal uitsloverig arriveerden met de jassen aan in een opvallende lichtgroene Chevrolet en prompt werden ontmaskerd door een van de gasten met „Hé, daar heb je de L-driehonderdeen van Ton”. Willem Ton was namelijk de verhuurder (en L in het kenteken destijds de aanduiding van de provincie Utrecht).
Een ander betreft het verzorgen van de dansmuziek op een middelbare school, waar wij eraan hechtten het goede voorbeeld te presenteren door op onze consumptiebonnen kopjes thee te bestellen. Per slot konden we de meegebrachte rum daar goed in kwijt zonder onnodig de aandacht te trekken.
De rode jassen waren tot op de draad versleten en om onze tailleur niet met een bagatel af te schepen, lieten we maar meteen acht nieuwe aanmeten. Een was er voor mij, want Herman Lamers moest een tijdje studeren voor zijn kandidaats en ik had ook thuis al veel ‘jazz’ gehoord.
Terzijde, mijn vader, ex-bandcat, zat altijd op de tweede en vierde tel mee te trommelen met de Ramblers - nooit gedacht dat ik daarvan later profijt zou hebben in het tegenprikken bij Tata Mirando.
Enfin, ik kende enkele akkoorden op de piano en mocht Herman vervangen. We hadden al Gert-Jan Sollewijn Gelpke op saxofoon die nu trombone werd, Roman Kupperman klarinet, Pim Bergman cornet (liever piano maar ja), Jan Pameijer, later Dolf Hoeksema op drums, Lo van Ruyven op banjo en Jan Buskop, soms Carel Hingst, uiteindelijk Rob Bergman aan de bas. Nadat Bert Geyskes zich een tuba had aangeschaft, waren er genoeg artiesten voor de jassen. In dit ornaat werd uiteraard met veel succes gemusiceerd. Uitzonderingen daargelaten zoals wanneer niet alle leden aanwezig waren of het auditorium een verwerpelijke neiging tot walsen kenbaar maakte.
Een optreden op kasteel Oud Wassenaar is me bijgebleven, omdat we nogal uitsloverig arriveerden met de jassen aan in een opvallende lichtgroene Chevrolet en prompt werden ontmaskerd door een van de gasten met „Hé, daar heb je de L-driehonderdeen van Ton”. Willem Ton was namelijk de verhuurder (en L in het kenteken destijds de aanduiding van de provincie Utrecht).
Een ander betreft het verzorgen van de dansmuziek op een middelbare school, waar wij eraan hechtten het goede voorbeeld te presenteren door op onze consumptiebonnen kopjes thee te bestellen. Per slot konden we de meegebrachte rum daar goed in kwijt zonder onnodig de aandacht te trekken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten