zaterdag 30 september 2017

Om maar met de deur in huis te vallen: in de tweede helft van de jaren vijftig ging Tzigane eensklaps weer dixieland spelen. Dat kwam zo:
De rode jassen waren tot op de draad versleten en om onze tailleur niet met een bagatel af te schepen, lieten we maar meteen acht nieuwe aanmeten. Een was er voor mij, want Herman Lamers moest een tijdje studeren voor zijn kandidaats en ik had ook thuis al veel ‘jazz’ gehoord.

Terzijde, mijn vader, ex-bandcat, zat altijd op de tweede en vierde tel mee te trommelen met de Ramblers - nooit gedacht dat ik daarvan later profijt zou hebben in het tegenprikken bij Tata Mirando.

Enfin, ik kende enkele akkoorden op de piano en mocht Herman vervangen. We hadden al Gert-Jan Sollewijn Gelpke op saxofoon die nu trombone werd, Roman Kupperman klarinet, Pim Bergman cornet (liever piano maar ja), Jan Pameijer, later Dolf Hoeksema op drums, Lo van Ruyven op banjo en Jan Buskop, soms Carel Hingst, uiteindelijk Rob Bergman aan de bas. Nadat Bert Geyskes zich een tuba had aangeschaft, waren er genoeg artiesten voor de jassen. In dit ornaat werd uiteraard met veel succes gemusiceerd. Uitzonderingen daargelaten zoals wanneer niet alle leden aanwezig waren of het auditorium een verwerpelijke neiging tot walsen kenbaar maakte.

Een optreden op kasteel Oud Wassenaar is me bijgebleven, omdat we nogal uitsloverig arriveerden met de jassen aan in een opvallende lichtgroene Chevrolet en prompt werden ontmaskerd door een van de gasten met „Hé, daar heb je de L-driehonderdeen van Ton”. Willem Ton was namelijk de verhuurder (en L in het kenteken destijds de aanduiding van de provincie Utrecht).
Een ander betreft het verzorgen van de dansmuziek op een middelbare school, waar wij eraan hechtten het goede voorbeeld te presenteren door op onze consumptiebonnen kopjes thee te bestellen. Per slot konden we de meegebrachte rum daar goed in kwijt zonder onnodig de aandacht te trekken.

Hoewel deze grote bezetting steeds minder ging spelen ten faveure van combo’s in variërende samenstelling, toonde zij toch imposant genoeg om winnend uit de bus te komen bij de auditie ter werving van een extra scheepsorkest voor een cruise op de Pacific aan boord van het m.s. Johan van Oldenbarnevelt. Hè-hè.

Wel moesten dan ook zigeunermuziek en chansons ten gehore worden gebracht. De cast werd hiertoe natuurlijk aangepast; trouwens niet iedereen kon er zomaar drie maanden tussenuit. Beschikbaar waren Roman, Pim, Dolf, Rob, Herman weer terug van studieverlof, en ondergetekende. Het gevraagde œuvre noopte ertoe dat Herman naast piano ook weer gitaar en accordeon ging spelen, Rob in de gipsymuziek dook, ik meestentijds naar de viool greep, en een zangeres, Marijke Philips, werd aangetrokken. Dat werd officieel aanmonsteren met zo’n boekje dat je alleen in bezit kon hebben als je als eens aangemonsterd was geweest en zonder hetwelk je niet kon aanmonsteren. Een paradox, maar hoe dan ook, we bemachtigden een exemplaar.

Op de verjaardag van Roman, medio 1959, voeren we uit met een vracht emigranten en enkele ogenschijnlijk permanente passagiers. Vanaf Stoomvaart Maatschappij Nederland aan de Javakade te Amsterdam door het Noordzeekanaal en de sluizen uit naar Southampton. Meteen bleek het voordeel van zo’n monsterboekje, want we konden zonder oponthoud over een aparte loopplank de wal op om een indruk van Engeland te krijgen. (In die tijden had je normaal gesproken nog niet veel buitenland gezien.) De fortuinlijke rode jassen waren vervangen door een uniforme set linnen tropenjasjes in lichtgrijs. Marijke borduurde later het Tzigane embleem erop.
Aldus gedost gaven we gevolg aan een uitnodiging van de kapitein tot een kennismakingsbijeenkomst ter wederzijdse verduidelijking van onze positie op het schip. Erg gezellig, maar voor ‘Pa Groote’ (gemeenzame aanduiding van de ouwe) werd niet echt helder wat voor vlees hij nu in zijn kuip had.

Nauwelijks bekomen van het glasheffen op Roman werd Herman 25 jaar. Hup, daar gingen we weer. Intussen voeren we met reeds prachtig weer naar Port Said, vlak onder de rotsige kusten van Portugal en Spanje en op steenworp van Gibraltar en Algiers. Aldaar leidden de muntjesduikers de attentie dermate af dat we bekant vergaten de patrijspoorten te sluiten - had een begrotelijke aangelegenheid kunnen worden, want jan en alleman liepen ongehinderd overal rond en daar zat heel wat dievenpak in witte soepjurken tussen.

Nog altijd niet in functie gingen we mee met een trip over land naar Caïro. Dit leek ons niet onverstandig gezien de tamelijk recente aanvaring tussen de Willem Ruys en de Oranje, de nog recentere crisis wegens de naasting door ene Nasser van het Suezkanaal, en de ook al niet vlekkeloze maiden voyage van de JvO reeds in het Noordzee-kanaal zij het dertig jaar eerder maar toch.

Zo kort na de krijgshandelingen ontmoetten we het ene roadblock na het andere. We dachten dat ‘Aventi’ in ons jargon zoiets betekende als ‘Hoeveel?’ en hoorden pas veel later dat het een vriendelijke groet is. Nu ja, we meenden ook in onze onnozelheid dat Koning Faroek in feite nog steeds de scepter zwaaide.

Tegen middernacht arriveerden we bij het hotel, waarna Roman en ik nog tot half vier door de stad zwierven. Ergens raakten we enigszins uit de koers door een duistere zijsteeg in te slaan, waar onduidelijke gedaanten zich van de muren leken los te maken om de doorgang te versperren, wat ons al na dertig meter een dermate unheimlich gevoel bezorgde dat we schielijk rechtsomkeert maakten.

‘s Anderendaags om zes uur op voor bliksembezoeken aan het Egyptisch Museum (drie kwartier) en aan de piramiden en Sfinx (twintig minuten), hetgeen per kameel geschiedde. Om een of andere reden droegen wij hierbij bolhoeden op het hoofd en onze gidsen paraplu’s in de hand, wat ons komisch voorkwam. (Eigenlijk vind ik de foto’s nog altijd wel amusant.) Hierna in jeeps en sneltreinvaart naar Suez waar de JvO al klaar lag om naar Port Aden door te stomen.

In de Rode Zee werd bij 34º en een relatieve vochtigheid van 98% uitgebreid gerepeteerd in de diverse samenstellingen voor de verschillende genres. Men moet hier niet te licht over denken, want door de hitte en de transpiratie dientengevolge waren doses zoutpillen onontbeerlijk.

Een meevaller was daarentegen dat we tot onze verrassing nu non-playing officers bleken te zijn met alle emolumenten van dien zoals vrij entree door het hele schip en representatiebonnen voor consumpties tegen halve prijs (animeren, heren!). Deze papiertjes waren in het bijzonder interessant omdat ze bij inlevering ‘boven’ krediet verschaften in de crewbar ‘onder’ waar de prijzen nog eens zo laag waren. Een ouwe klare voor een dubbeltje!

Aangekomen in Aden was er gelegenheid deel te nemen aan een uitstapje naar inheemse folklore, maar Dolf en ik gaven er de voorkeur aan een glas bier te nuttigen op een terras en de loslopende heilige geiten gade te slaan. De anderen aanschouwden wel wat oorlogsdansen en zo, maar geraakten aansluitend verzeild in een zandstorm waarmee ze veel tijd verdeden.

Vanuit de Golf begon de oversteek van de Indische Oceaan naar Australië, Fremantle om precies te zijn, de haven van Perth. Alhier een bustocht langs wat er aan bezienswaardigs te bezien was. ‘s Avonds aan de kade stond er al een stevige bries die buitengaats onverwacht snel aanwakkerde tot een orkaan, de schaal van Beaufort ver te boven gaande (Pa: honderd mph).
Voor wie dit ongelooflijk lijkt: op internet zijn verscheidene verklaringen te lezen van varensgezellen die getuigen, in dertig jaar of meer op zee, nimmer een noodweer van excessievere proporties te hebben meegemaakt dan die 24ste juli.
http://www.ssmaritime.com/jvostories.htm#
Boven het geraas uit was het kletteren van serviesgoed en zo te horen, want niemand had op dit natuurgeweld gerekend. Het restaurant stond blank; het meubilair dreef rond of vloog overboord.
Dankzij onze status van bemanning konden we ons onbelemmerd naar buiten begeven en wel helemaal naar boven op het sportdek en dan nóg een trapje hoger. Een onvergetelijk schouwspel: in het licht van de maan de JvO als een hulkje onder je te zien zwoegen door de gigantische golven met hun toppen ter ooghoogte.

De verrassing door het noodweer had ook een droevig gevolg. De zijramen van het Lounge Deck konden niet meer worden gesloten, de piano raakte op drift en de pianist zodanig bekneld, dat hij door inwendige bloedingen om het leven kwam.

Het bericht in De Telegraaf dat een scheepsmusicus was omgekomen, zorgde voor aanzienlijke beroering bij onze vrienden en verwanten.

x
Op weg naar Sydney brachten we nog een dag door in Melbourne waar de koudste winter in zestig jaar heerste met een gemiddelde temperatuur van tegen het vriespunt, en het deze dag bovendien stortregende. We gingen nog wel met een bus een of andere berg op, maar waren voornamelijk blij dat we onze paraplu’s hadden meegenomen en bovendien was er door de dichte mist totaal niets te zien. Waardeloos.

Hier gingen de eerste cruise passengers aan boord en wij aan het werk. We begonnen echter met een korte vakantie, omdat al meteen de eerste dag een der vaste Amerikaanse passagiers de geest gaf. Dit veroorzaakte scheve ogen bij de rest van de bemanning die ons ervan betichtte hierin, gedreven door werkschuwheid, de hand te hebben gehad. Volkomen onterecht voor zover ik weet, maar het betekende wel lamleggen van alle vertier aan boord, ofschoon van een dieptragisch evenement geen sprake was. Zij was namelijk al zo ver in de negentig gevorderd, dat algemeen werd aangenomen dat ze juist met dit oogmerk ronddobberde.

In Sydney, fantastische stad, was het heerlijk weer voor rubbernecking, te beginnen met de Woolloomooloo Wharf zelf. Waar nu het operagebouw staat, zagen we toen vanaf de immense brug over de baai met lede ogen de Sibajak - een van de transportschepen voor de studentenreizen naar New York - gereedliggen om te worden geschroot.

Maar goed, wijzelf waren dus nu aan de bak voor de cruise.
‘s Middags doorgaans zigeunertrio in de Statesman Lounge en ‘s avonds swing op het Promenade Deck met open ramen, wat een lastige akoestiek teweeg bracht. Daarna was het tot diep in de nacht, zeg maar ochtendgloren, Waltzing Matilda in de Neptune’s Tavern tot we in Nieuw-Zeeland aankwamen.

Zo kon het gebeuren dat mijn slapie Dolf en ik van cabin steward Peter, die de roereieren kwam brengen, vernamen dat we zojuist de haven van Auckland hadden verlaten. Gelukkig zouden we hierna nog Wellington aandoen, zodat we dit deel van Down Under niet helemaal hoefden te missen. Geen van beide steden was overigens in die tijd echt ravissant, wèl waren ze fraai van omgeving.